Heeft u een tumor (kanker) in het spijsverteringskanaal? Het expertisecentrum GIOCA (Gastro-Intestinaal Oncologisch Centrum Amsterdam) levert topzorg op het gebied van deze tumoren. U kunt binnen een week terecht op de polikliniek voor de GIOCA-dag. Op deze dag wordt u onderzocht en gediagnosticeerd en gaat u meestal naar huis met een duidelijke diagnose en behandelplan. De multidisciplinaire poli oncologie GIOCA VUmc voor slokdarm-maagzorg vindt plaats op woensdag en vrijdag op polikliniek W4. Daar zullen naast de GIOCA-afspraken ook de follow up-afspraken gaan plaatsvinden.

Maagkanker

Wanneer een tumor ontstaat uit cellen in de maag, spreken we van maagkanker. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten maagkanker.

De maag

De maag is een peervormig orgaan, van boven breed en van onder smal. Als de maag gevuld is, is deze ongeveer 30 centimeter lang met een inhoud van ongeveer drie liter. In de maag wordt voedsel opgevangen dat door de mond en de slokdarm naar binnen is gekomen. Bovenin de maag wordt het voedsel gemengd met maagsap. Daarna wordt onderin de maag het voedsel gekneed en gemalen. Dit gebeurd ter voorbereiding op de voedselvertering in de darmen.

De maag bestaat uit vier delen:

  • De maagingang (cardia): hier is de slokdarm verbonden aan de maag
  • De maagkoepel (fundus): dit deel ligt tegen het middenrif aan
  • Het middelste deel (corpus)
  • De maaguitgang met sluitspier (antrum en pylorus): hier eindigt de maag en begint de twaalfvingerige darm

De maagwand bestaat uit verschillende lagen, van binnen naar buiten zijn dit de slijmvlieslaag, de bindweefsellaag en spierlagen en weer een bindweefsellaag die overgaat in het buikvlies. De slijmvlieslaag maakt maagsap aan. Maagsap bevat onder andere zuur, enzymen voor de spijsvertering en een stof die nodig is voor de opname van vitamine B12. Door de bindweefsellaag lopen veel bloedvaten en zenuwen. De spierlaag zorgt voor het kneden en mengen van het voedsel.

Aan het uiteinde van de maag zit de sluitspier. Deze laat het voedsel beetje bij beetje door naar de twaalfvingerige darm. De sluitspier zorgt er ook voor dat voedsel alleen van de maag naar de darmen kan stromen en niet andersom.

Maagkanker

Wanneer een tumor ontstaat uit cellen in de maag, spreken we van maagkanker. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende soorten maagkanker. De meest voorkomende vorm maagkanker is het adenocarcinoom. Deze vorm van kanker ontstaat uit cellen in de slijmvlieslaag van de maag. Ongeveer 95% van alle patiënten met maagkanker heeft een adenocarcinoom.

Een tumor in de maag kan op drie manieren doorgroeien. Een tumor in het gebied van de maagingang groeit vaak via de maagwand door naar het onderste deel van de slokdarm. Een tumor die zich juist bij de uitgang van de maag bevindt kan doorgroeien naar de twaalfvingerige darm. Tot slot kan een maagtumor door de maagwand heen groeien naar de buikholte.

Risicofactoren

Per jaar krijgen ongeveer 1200 mensen de diagnose maagkanker. Maagkanker komt iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen en het merendeel van de patiënten is ouder dan 60 jaar. De exacte oorzaak van maagkanker is niet bekend. Wel zijn er een aantal risicofactoren die de kans op maagkanker kunnen verhogen:

  • Roken
  • Dagelijkse consumptie van alcohol
  • Frequente consumptie van vlees
  • Te veel zout in de voeding
  • Langdurig te weinig maagzuur
  • Eerdere operatie aan de maag
  • Poliepen in de maag
  • Helicobacter pylori (een bacterie die in de maag kan voorkomen)

De helicobacter pylori bacterie kan een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van maagkanker. Deze bacterie kan een ontsteking van de slijmvlieslaag van de maag veroorzaken.

Erfelijkheid

Maagkanker kan ook worden veroorzaakt door een erfelijke aanleg. Er zijn drie aandoeningen waarbij maagkanker kan optreden:

  • Het Lynch syndroom. Het syndroom komt voort uit een DNA-mutatie. De mutatie vindt plaats bij een gen dat zorgt voor de reparatie van DNA-fouten tijdens normale celdeling. Door de mutatie worden genen niet goed gerepareerd en kan dit abnormale celdeling veroorzaken. Patiënten met het Lynch syndroom hebben ook een verhoogde kans op darmkanker, kanker van de urinewegen en eierstokkanker.
  • CDH1 gen (E-cadherin-gen). Een belangrijk signaal voor erfelijke maagkanker kan zijn dat er meerdere familieleden op een relatief jonge leeftijd maagkanker hebben (gehad). Bij één soort erfelijke maagkanker is bekend dat het CDH1 gen (E-cadherin-gen) betrokken is. Bij 30% van de mensen bij wie deze soort maagkanker in de familie vaker voorkomt kan door genetisch onderzoek de mutatie in dit gen worden aangetoond.
  • Het Peutz-Jeghers syndroom. Dit is een polyposis syndroom, wat betekent dat mensen met dit syndroom vaak meerdere poliepen hebben op verschillende plekken in het lichaam. De poliepen komen voornamelijk voor in de dunne darm, dikke darm, maag en neus. Een poliep is een klein goedaardig gezwel. Poliepen kunnen een enkele keer uitgroeien tot een kwaadaardige tumor. Daarom hebben mensen met het Peutz-Jeghers syndroom een verhoogde kans op maagkanker.

Klachten

In een vroeg stadium geeft maagkanker vaak nog geen klachten. De onderstaande klachten en symptomen kunnen in een later stadium voorkomen bij maagkanker:

  • Gewichtsverlies
  • Pijn bovenin de buik
  • Misselijkheid
  • Verminderde eetlust
  • Afkeer van vlees
  • Passageklachten, het eten zakt niet goed
  • Bloedverlies
  • Vermoeidheid en duizeligheid door bloedarmoede

Deze klachten en symptomen hoeven niet direct te duiden op maagkanker. De klachten kunnen ook voorkomen bij andere aandoeningen.

Oesophaguscarcinoom

Men spreekt van slokdarmkanker wanneer een kwaadaardige tumor is ontstaan uit cellen van de slokdarm. De namen slokdarmcarcinoom en oesophaguscarcinoom worden ook vaak gebruikt. Er zijn twee vaak voorkomende soorten slokdarmkanker: het plaveiselcelcarcinoom en het adenocarcinoom.

De slokdarm verbindt de keelholte met de maag en is ongeveer dertig centimeter lang. De slokdarm verzorgt het transport van voedsel van de mond naar de maag en bestaat uit vier lagen:

  • Slijmvlieslaag: deze laag bekleedt de binnenkant van de slokdarm.
  • Bindweefsellaag: hierin zitten klieren die slijm produceren. Door dit slijm verloopt het transport van voedsel makkelijker.
  • Spierlaag: de spieren in de slokdarm kunnen samentrekken en weer ontspannen. Spieren vlak boven een stuk voedsel in de slokdarm spannen zich samen. Tegelijkertijd ontspannen spieren vlak onder het voedsel zich, waardoor de slokdarm daar wat wijder wordt. Door deze samentrekkingen en ontspanningen ontstaat een golvende beweging, waardoor het voedsel door de slokdarm wordt geduwd.
  • Adventitia: dit is de buitenste, dunne laag van de slokdarmwand.

De spieren in de slokdarm zijn goed gecontroleerd en sterk. Hierdoor valt voedsel niet vanzelf door de slokdarm heen. Door het samentrekken en ontspannen van de spieren in de slokdarm, is het zelfs mogelijk om te eten en drinken als we liggen of omgekeerd staan.

Aan het uiteinde van de slokdarm zit een sluitspier, de slokdarmsfincter. Deze kringspier sluit de slokdarm af, waardoor er geen voedsel vanuit de maag terugstroomt naar de slokdarm.

Slokdarmkanker

Men spreekt van slokdarmkanker wanneer een kwaadaardige tumor is ontstaan uit cellen van de slokdarm. De namen slokdarmcarcinoom en oesophaguscarcinoom worden ook vaak gebruikt. Er zijn twee vaak voorkomende soorten slokdarmkanker: het plaveiselcelcarcinoom en het adenocarcinoom.
Het plaveiselcelcarcinoom ontstaat uit plaveiselcellen. Dit zijn platte cellen die de binnenste laag van het slijmvlies in de slokdarm vormen. Een plaveiselcelcarcinoom komt meestal bovenin of in het midden van de slokdarm voor, maar kan ook voorkomen aan het uiteinde van de slokdarm.
Adenocarcinomen ontstaan uit cellen in klierweefsel. Dit type slokdarmkanker komt voor onderin de slokdarm. Een adenocarcinoom ontstaat vaak in een Barrett-slokdarm, voor meer informatie, zie de risicofactoren beschreven hieronder.
Wanneer de tumor door de slokdarmwand of door bloedvaten heen groeit, kunnen cellen van de tumor losraken en uitzaaien naar andere delen in het lichaam. Vanuit de slokdarm komen uitzaaiingen bijvoorbeeld terecht in de lever of de longen. Uitzaaiingen heten ook wel metastasen.

Risicofactoren

Per jaar krijgen ongeveer 2500 patiënten de diagnose slokdarmkanker. De meeste patiënten zijn ouder dan 50 jaar en slokdarmkanker komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De exacte oorzaak van slokdarmkanker is onbekend. Wel zijn er een aantal risicofactoren die de kans op slokdarmkanker kunnen vergroten:

  • Roken
  • Overmatig alcoholgebruik
  • Dieet met weinig groente en fruit
  • Overgewicht
  • Brandend maagzuur
  • Barrett slokdarm

Het terugstromen van maagzuur naar de slokdarm wordt reflux genoemd. Wanneer dit frequent voorkomt kan de slokdarm beschadigd worden. Reflux gaat meestal gepaard met klachten van zuurbranden. Reflux kan optreden als de afsluitfunctie tussen de maag en slokdarm niet goed werkt, zoals voorkomt bij een middenrifbreuk. De slokdarm heeft geen beschermlaag voor het zuur uit de maagsappen, zoals de maag die wel heeft. Er kan daardoor een slokdarmontsteking ontstaan. Ook kan de structuur van het slijmvlies in de slokdarm zich aanpassen en op maagslijmvlies gaan lijken om zich te beschermen tegen zuur. Deze blijvende verandering wordt een Barrett slokdarm genoemd. Mensen met een Barrett slokdarm hebben een verhoogd risico op slokdarmkanker.

Klachten

Slokdarmkanker wordt vaak pas laat ontdekt, omdat in het begin nog geen klachten worden veroorzaakt. De onderstaande klachten kunnen voorkomen bij slokdarmkanker:

  • Passageklachten (het gevoel dat voedsel niet goed zakt in de slokdarm)
  • Verminderde eetlust
  • Gewichtsverlies
  • Pijnlijk en/of vol gevoel op het borstbeen
  • Duizeligheid en vermoeidheid door bloedarmoede. Bloedarmoede kan ontstaan door langdurig bloedverlies uit een beschadigde slokdarm.
  • Braken van bloed
  • Chronische hikklachten

Erfelijkheid

Sommige typen kanker kunnen zijn ontstaan door een genetische afwijking die van ouders op kind worden doorgegeven. Er zijn geen aanwijzingen dat slokdarmkanker wordt veroorzaakt door een erfelijke aandoening.

Slokdarmkanker

Men spreekt van slokdarmkanker wanneer een kwaadaardige tumor is ontstaan uit cellen van de slokdarm. De namen slokdarmcarcinoom en oesophaguscarcinoom worden ook vaak gebruikt. Er zijn twee vaak voorkomende soorten slokdarmkanker: het plaveiselcelcarcinoom en het adenocarcinoom.

De slokdarm verbindt de keelholte met de maag en is ongeveer dertig centimeter lang. De slokdarm verzorgt het transport van voedsel van de mond naar de maag en bestaat uit vier lagen:

  • Slijmvlieslaag: deze laag bekleedt de binnenkant van de slokdarm.
  • Bindweefsellaag: hierin zitten klieren die slijm produceren. Door dit slijm verloopt het transport van voedsel makkelijker.
  • Spierlaag: de spieren in de slokdarm kunnen samentrekken en weer ontspannen. Spieren vlak boven een stuk voedsel in de slokdarm spannen zich samen. Tegelijkertijd ontspannen spieren vlak onder het voedsel zich, waardoor de slokdarm daar wat wijder wordt. Door deze samentrekkingen en ontspanningen ontstaat een golvende beweging, waardoor het voedsel door de slokdarm wordt geduwd.
  • Adventitia: dit is de buitenste, dunne laag van de slokdarmwand.

De spieren in de slokdarm zijn goed gecontroleerd en sterk. Hierdoor valt voedsel niet vanzelf door de slokdarm heen. Door het samentrekken en ontspannen van de spieren in de slokdarm, is het zelfs mogelijk om te eten en drinken als we liggen of omgekeerd staan.

Aan het uiteinde van de slokdarm zit een sluitspier, de slokdarmsfincter. Deze kringspier sluit de slokdarm af, waardoor er geen voedsel vanuit de maag terugstroomt naar de slokdarm.

Slokdarmkanker

Men spreekt van slokdarmkanker wanneer een kwaadaardige tumor is ontstaan uit cellen van de slokdarm. De namen slokdarmcarcinoom en oesophaguscarcinoom worden ook vaak gebruikt. Er zijn twee vaak voorkomende soorten slokdarmkanker: het plaveiselcelcarcinoom en het adenocarcinoom.

Het plaveiselcelcarcinoom ontstaat uit plaveiselcellen. Dit zijn platte cellen die de binnenste laag van het slijmvlies in de slokdarm vormen. Een plaveiselcelcarcinoom komt meestal bovenin of in het midden van de slokdarm voor, maar kan ook voorkomen aan het uiteinde van de slokdarm.

Adenocarcinomen ontstaan uit cellen in klierweefsel. Dit type slokdarmkanker komt voor onderin de slokdarm. Een adenocarcinoom ontstaat vaak in een Barrett-slokdarm, voor meer informatie, zie de risicofactoren beschreven hieronder.

Wanneer de tumor door de slokdarmwand of door bloedvaten heen groeit, kunnen cellen van de tumor losraken en uitzaaien naar andere delen in het lichaam. Vanuit de slokdarm komen uitzaaiingen bijvoorbeeld terecht in de lever of de longen. Uitzaaiingen heten ook wel metastasen.

Risicofactoren

Per jaar krijgen ongeveer 2500 patiënten de diagnose slokdarmkanker. De meeste patiënten zijn ouder dan 50 jaar en slokdarmkanker komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De exacte oorzaak van slokdarmkanker is onbekend. Wel zijn er een aantal risicofactoren die de kans op slokdarmkanker kunnen vergroten:

  • Roken
  • Overmatig alcoholgebruik
  • Dieet met weinig groente en fruit
  • Overgewicht
  • Brandend maagzuur
  • Barrett slokdarm

Het terugstromen van maagzuur naar de slokdarm wordt reflux genoemd. Wanneer dit frequent voorkomt kan de slokdarm beschadigd worden. Reflux gaat meestal gepaard met klachten van zuurbranden. Reflux kan optreden als de afsluitfunctie tussen de maag en slokdarm niet goed werkt, zoals voorkomt bij een middenrifbreuk. De slokdarm heeft geen beschermlaag voor het zuur uit de maagsappen, zoals de maag die wel heeft. Er kan daardoor een slokdarmontsteking ontstaan. Ook kan de structuur van het slijmvlies in de slokdarm zich aanpassen en op maagslijmvlies gaan lijken om zich te beschermen tegen zuur. Deze blijvende verandering wordt een Barrett slokdarm genoemd. Mensen met een Barrett slokdarm hebben een verhoogd risico op slokdarmkanker.

Klachten

Slokdarmkanker wordt vaak pas laat ontdekt, omdat in het begin nog geen klachten worden veroorzaakt. De onderstaande klachten kunnen voorkomen bij slokdarmkanker:

  • Passageklachten (het gevoel dat voedsel niet goed zakt in de slokdarm)
  • Verminderde eetlust
  • Gewichtsverlies
  • Pijnlijk en/of vol gevoel op het borstbeen
  • Duizeligheid en vermoeidheid door bloedarmoede. Bloedarmoede kan ontstaan door langdurig bloedverlies uit een beschadigde slokdarm.
  • Braken van bloed
  • Chronische hikklachten

Erfelijkheid

Sommige typen kanker kunnen zijn ontstaan door een genetische afwijking die van ouders op kind worden doorgegeven. Er zijn geen aanwijzingen dat slokdarmkanker wordt veroorzaakt door een erfelijke aandoening.

Behandeling van slokdarmkanker

Bij het opstellen van een behandelplan voor slokdarmkanker zijn verschillende factoren belangrijk: het stadium van de aandoening, de plaats, grootte en vorm van de tumor en uw lichamelijke conditie.

Als er geen uitzaaiingen worden gevonden en de tumor kan lokaal worden weggehaald is de behandeling gericht op genezing (curatieve behandeling). Als er uitzaaiingen worden gevonden of de tumor is te groot om te kunnen weghalen zal de behandeling gericht zijn op het remmen van de ziekte en het verminderen van klachten (palliatieve behandeling). Naast de primaire behandeling zijn er ook nog aanvullende behandelingen (neo-adjuvante en adjuvante behandelingen). Als bijvoorbeeld een tumor kan worden weggehaald door middel van een operatie, dan kan het zijn dat u daarvoor bestraling en chemotherapie krijgt. Deze aanvullende behandeling heeft het doel om mogelijke niet-waarneembare uitzaaiingen te bestrijden en om de tumor lokaal beter te kunnen verwijderen.

Behandeling van slokdarmkanker

Bij het opstellen van een behandelplan voor slokdarmkanker zijn verschillende factoren belangrijk: het stadium van de aandoening, de plaats, grootte en vorm van de tumor en uw lichamelijke conditie. Afhankelijk van deze factoren zijn er verschillende behandelopties:

  • Endoscopische behandeling
  • Operatie
  • Radiotherapie
  • Chemotherapie
  • Plaatsen van een stent

Endoscopische behandeling

Wanneer slokdarmkanker in een vroeg stadium wordt ontdekt, kan de tumor worden verwijderd door middel van een endoscopische behandeling. Een endoscopische behandeling wordt uitgevoerd door middel van een endoscoop, een slang die via de mond in de slokdarm wordt gebracht. Door middel van deze slang kunnen verschillende handelingen worden uitgevoerd. Zo kan de arts instrumenten via de endoscoop inbrengen en zo de kleine tumor verwijderen.

Een endoscopische behandeling is alleen mogelijk als de tumor zich alleen beperkt tot in de oppervlakkige slijmvlieslaag. Met de endoscoop wordt eerst de slokdarm bekeken. Een van de methoden om vervolgens de tumor te verwijderen is een endoscopische resectie. Voor deze behandeling spuit de arts een vloeistof in het slijmvlies van de slokdarm, waardoor de slijmvlieslaag los komt van de onderliggende spierlaag. Het slijmvlies kan dan makkelijk verwijderd worden.

Voor een endoscopische behandeling wordt u meestal niet opgenomen in het ziekenhuis. Voor de behandeling krijgt u een roesje toegediend, waardoor uw bewustzijn wordt verminderd. Dit roesje kunt u na de behandeling rustig uitslapen. Hierna mag u weer naar huis. Als u een roesje heeft gehad, mag u 24 uur erna niet autorijden of grote machines bedienen. U mag daarom niet alleen naar de behandeling komen.

Het voordeel van een endoscopische behandeling is dat er geen operatie hoeft worden uitgevoerd. Een operatie is normaal gesproken erg belastend en zwaar voor de patiënt. Een endoscopische behandeling is veel minder belastend omdat hierbij de slokdarm niet wordt weggehaald en er ook geen buismaag gemaakt hoeft te worden.

Een endoscopische resectie wordt vaak gevolgd door radiofrequente ablatie, RFA. Hiermee wordt het resterende aangetaste slijmvlies weggebrand. Het oppervlak van de slokdarm wordt kortdurend sterk verhit, waardoor dit laagje afsterft. Hierna zal de slokdarm weer genezen.

Operatie

Het doel van een operatie bij slokdarmkanker is het verwijderen van de tumor en een deel omliggend weefsel samen met de lymfeklieren. Een operatie kan worden uitgevoerd wanneer is gebleken dat er geen uitzaaiingen zijn naar of ingroei in andere organen.

Tijdens de operatie voor slokdarmkanker wordt een deel van de slokdarm en het bovenste deel van de maag verwijderd, samen met omliggend weefsel en lymfeklieren. Hierna moet het overgebleven deel van de slokdarm weer worden bevestigd aan de maag. Meestal wordt dan van het resterende deel van de maag een buis gemaakt, die wordt gehecht aan de slokdarm. Dit heet een buismaag. Als dit niet mogelijk is, kan ook een deel van de dikke darm gebruikt worden om een nieuwe slokdarm van te maken. Deze behandeling heet een colon-interpositie.

Een operatie kan zwaar en belastend zijn. Het is daarom belangrijk dat de conditie van de patiënt goed is. Soms kan toch worden afgezien van een operatie omdat het risico op complicaties te groot is of omdat de tumor toch uitgezaaid blijkt te zijn.

Radiotherapie

Radiotherapie kan zowel curatief als palliatief worden ingezet. Tijdens radiotherapie wordt de tumor bestraald van buitenaf met ioniserende stralen. Kankercellen kunnen slechter tegen deze straling dan gezonde cellen. Door de straling raken de tumorcellen beschadigd en gaan ze dood. Ook wordt door de straling het vermogen van tumorgroei verminderd. Radiotherapie wordt ingezet zowel als voorbehandeling voor een operatie en als volledige behandeling, in beide gevallen meestal in combinatie met chemotherapie.

De straling wordt zo veel mogelijk gericht op de tumor. Het is echter niet te voorkomen dat ook gezonde cellen worden bestraald. Hierdoor krijgt u te maken met bijwerkingen. Over het algemeen zorgt radiotherapie voor vermoeidheid. Bij slokdarmkanker zorgt bestraling ook voor irritatie van de slokdarm dat zich uit in pijn bij het slikken. Daarnaast kan de bestraalde huid rood worden als het gebied dat bestraald moet worden dicht bij de huid ligt. Dit gaat gepaard met jeuk en een branderig gevoel. Bij bestraling in het gebied van de maag, zoals het geval is bij kanker die onder in de slokdarm ligt, kunnen patiënten misselijkheidklachten krijgen. Uw radiotherapeut kan hiervoor medicijnen voorschrijven. Deze klachten van de bestraling zijn over het algemeen tijdelijk en verdwijnen ongeveer 2-3 weken na de bestraling. De radiotherapie wordt in het geval van een curatieve behandeling gegeven in combinatie met chemotherapie. Het doel van de chemotherapie is hierbij het versterken van de bestralingseffecten.

Radiotherapie vindt doorgaans vijf dagen per week plaats, gedurende enkele weken. Wanneer radiotherapie palliatief wordt gegeven duurt de radiotherapie vaak minder lang. Opname in het ziekenhuis is niet nodig voor bestralingen.

Chemotherapie

Chemotherapie is een behandeling met medicijnen die als doel hebben kankercellen te doden. De chemotherapie wordt toegediend via tabletten en/of infuus. Via het bloed kunnen de medicijnen snel door het lichaam bewegen en de kankercellen bereiken. De cytostatica worden vaak een maal per week toegediend, gedurende enkele weken. Hierna volgt dan een rustperiode.

Voor de behandeling van slokdarmkanker kan chemotherapie zowel een curatief als palliatief doel hebben. Chemotherapie wordt meestal voor de operatie gegeven in combinatie met radiotherapie. Bij sommige patiënten wordt de chemotherapie ingezet na een operatie, dit gaat dan om een palliatieve behandeling. Chemotherapie kan naast kankercellen ook gezonde cellen aantasten. Daardoor kunnen bijwerkingen optreden. Vaak voorkomende bijwerkingen zijn haaruitval, misselijkheid, darmstoornissen, vermoeidheid en een verhoogd risico op infecties. De bijwerkingen zijn voor iedere chemotherapie verschillend en zullen ook per persoon verschillen. Uw arts zal de gevolgen van de chemotherapie uitgebreid met u bespreken.

Plaatsen van een stent

Als de tumor groter wordt, kan deze de slokdarm deels blokkeren. Hierdoor wordt eten en drinken bemoeilijkt. In dit geval kan een stent geplaatst worden. Een stent is een buisje dat de slokdarm weer open drukt waardoor u weer kunt eten en drinken. Het plaatsen van een stent is een palliatieve behandeling. De tumor wordt hierdoor niet gestopt of afgeremd, maar de klachten worden verminderd.

Een stent wordt geplaatst via een endoscoop. Dit is een slang die via de mond in uw slokdarm wordt ingebracht. Via deze slang kunnen verschillende instrumenten naar binnen worden geschoven, waardoor verschillende handelingen kunnen worden verricht. Via de endoscoop wordt de ingeklapte stent naar binnen gebracht. Ter hoogte van de tumor wordt de stent uitgeklapt. De stent zet zich vervolgens vast in de slokdarmwand. Hierdoor wordt de vernauwde slokdarm opgerekt en kan voedsel weer makkelijker door de slokdarm heen glijden.

Voor een endoscopische behandeling hoeft u niet worden opgenomen in het ziekenhuis. Voor de behandeling krijgt u een roesje toegediend, waardoor uw bewustzijn wordt verminderd. Dit roesje kunt u na de behandeling rustig uitslapen. Hierna mag u weer naar huis. Als u een roesje heeft gehad, mag u 24 uur erna niet autorijden of grote machines bedienen. Het is daarom aan te raden om niet alleen naar de behandeling te komen.

Psychosociale hulp

Vanaf het moment dat u te horen krijgt dat u mogelijk slokdarmkanker heeft, krijgt u te maken met grote onzekerheden. Hiermee omgaan is niet vanzelfsprekend. De periode van onderzoeken en behandelingen zijn erg zwaar, maar ook na de behandeling moet u leren leven met uw nieuwe situatie. Dit geldt niet alleen voor u als patiënt, maar ook voor uw familie, vrienden en eventuele partner en kinderen. Er zijn organisaties die u en uw omgeving kunnen ondersteunen bij het leren leven met kanker, zowel binnen als buiten het ziekenhuis.