Uit onderzoek van Dutch Hospital Data (DHD) blijkt dat in Amsterdam UMC, locatie VUmc in 2017 een gestandaardiseerd sterftecijfer (hospital standardised mortality ratio = HSMR) van 114 heeft met een betrouwbaarheidsinterval van 105 - 124. De HSMR in 2017 is licht gedaald ten opzichte van 2016 (toen 116). De gemiddelde HSMR van VUmc voor de jaren 2015 - 2017 bedraagt eveneens 114 (betrouwbaarheidsinterval 109 - 120). Deze gestandaardiseerde cijfers zijn gecorrigeerd voor het patiëntenprofiel, zoals bijvoorbeeld de leeftijd van de patiënt, en of de patiënt ook andere ziekten heeft (co-morbiditeit).

De HSMR is gebaseerd op de sterfte aan 157 diagnosegroepen/ziektebeelden, variërend van alvleesklierkanker tot urineweginfecties. De sterftecijfers voor enkele ziektebeelden (SMR's), in de link hieronder gegroepeerd per diagnosegroep, zijn in VUmc statistisch significant hoger dan het landelijke gemiddelde (= 100). Voor 2015 - 2017 betrof dit de volgende ziektebeelden: “Acute cerebrovasculaire aandoening”, “Acute bronchitis”, “COPD en bronchiëctasie”, “Osteoartritis, reumatoïde artritis en overige misvormingen van het bewegingsapparaat”, “Prematuriteit; laag geboortegewicht”, “Overige perinatale aandoeningen”, “Intracraniaal letsel”, “Vergiftiging door psychofarmaca, drugs of overige medicatie” en “Overige letsels en aandoeningen door externe oorzaken”. Deze zijn in de tabel rood gemarkeerd. Daarnaast is de SMR van het “hoofdcluster Ziekten van het spijsverteringsstelsel” hoger dan 100, terwijl echter geen enkele afzonderlijke ziekte binnen dit cluster significant hoger dan 100 is.

Er is veel discussie over de waarde en de kwaliteit van de HSMR en van SMR-cijfers, onder andere omdat registratiemethoden per ziekenhuis verschillen, bijvoorbeeld in de registratiewijze van aanwezige comorbiditeit. Op basis van alleen deze cijfers is het dan ook lastig om ziekenhuizen met elkaar te vergelijken. Voor een goed beeld moet daarvoor ook worden gekeken naar bijvoorbeeld andere indicatoren zoals opnameduur en aantal heropnames. Verder is bekend dat de standaardisatie van de sterftecijfers niet perfect is en dat wellicht voor de ziekenhuizen die topreferente zorg (3e-lijnsgeneeskunde) leveren, zoals VUmc, de correcties die het rekenmodel toepast voor variaties in de ernst van de ziekte(n) waarmee een patiënt wordt opgenomen, ontoereikend zijn. De sterftecijfers worden immers vergeleken met de sterfte in alle andere ziekenhuizen en niet specifiek met de sterfte in die ziekenhuizen die net als VUmc gespecialiseerd zijn in topreferente zorg zoals traumazorg of waarheen de ernstigst-zieke patiënten worden verwezen.

VUmc heeft reeds jaren geleden een commissie ingesteld die gestructureerd de oorzaken van sterfte bij een deel van de in het ziekenhuis overleden patiënten onderzoekt. Deze Dossiercommissie, bestaande uit onafhankelijke externe onderzoekers, heeft inmiddels alle dossiers uit 2015 t/m 2017 of eerder reeds alle dossiers van alleen het jaar 2015, 2016 of 2017 onderzocht van de patiënten die in die jaren aan één van de 9 hierboven genoemde ziektebeelden zijn overleden. Ook zijn dossiers onderzocht van die patiënten binnen het cluster “ziekten van het spijsverteringsstelsel” die een lage a priori kans hadden te overlijden. Het doel was te onderzoeken of er, zoals de significant verhoogde SMR's suggereren, wellicht sprake was van behandeling-gerelateerde significante oversterfte waarvoor verbeteringen in de zorg mogelijk zouden kunnen zijn. Het onderzoek door de dossiercommissie gaf geen verklaring voor de significant verhoogde SMR's. Wel bleek bij een enkele patiënt dat de zorg wellicht beter had gekund. Die bevindingen zijn met de betrokken artsen gedeeld om zo de zorgverbetering na te streven, op betrokken afdeling of ziekenhuisbreed.

Eerder toonde een dergelijk dossieronderzoek in VUmc dat de hogere SMR bij bijvoorbeeld “Acute cerebrovasculaire aandoening” en bij patiënten met “COPD en bronchiëctasie” vooral verklaard kan worden doordat de patiënten veel zieker waren dan dat op basis van een landelijk gemiddelde bij een ziekenhuisopname kan worden verwacht. Wanneer een patiënt overlijdt die heel ziek is, dan wordt de SMR die bij die diagnosegroep behoort, te hoog berekend. Omdat er in 2017 geen verandering van zorgprofiel (patiëntenkarakteristieken) of coderingssystematiek van deze groepen patiënten in VUmc heeft plaats gevonden, zijn de dossiers van deze patiëntgroepen niet opnieuw onderzocht. Bij het huidige door de dossiercommissie uitgevoerde onderzoek van nog enkele niet-onderzochte groepen die alleen voor 2015-2017 of alleen in 2017 een hogere SMR hadden (1 patiënt met een maligniteit, enkele patiënten met een “bronchitis” en de patiënten met “Osteoartritis”), bleek ook bij de nu onderzochte patiëntgroepen dat de opgenomen patiënten allemaal zeer ziek waren en/of overleden zijn door een bekende complicatie die niet vermijdbaar was.

Concluderend: vrijwel alle onderzochte patiënten hadden volgens het DHD-rapport een zogenaamde lage vooraf-kans op sterfte, maar bij het dossieronderzoek bleek opnieuw dat deze patiënten bij opname veel zieker waren dan waarvoor de gebruikte normeringsfactoren kunnen corrigeren. Dit onderschrijft onze mening dat de H(SMR) onvoldoende corrigeert voor het ziekere type patiënten zoals in een UMC wordt opgenomen.